Oude boeken, nieuwe inzichten
Is het niet wonderlijk dat van tijd tot tijd een boek van tientallen of zelfs honderden jaren oud opeens weer in de bestsellerlijsten verschijnt? Van Karl Marx’ Das Kapital uit 1867 is in de weken rond de instorting van de financiële markten de verkoop verdrievoudigd ten opzichte van eerdere jaren. Sinds de val van de muur zijn Marx’ ideeën en observaties over het kapitalistisch systeem in de uitverkoop gedaan. Maar blijkbaar niet voorgoed. Juist één hoofdstukje van dit 140 jaar oude boek beschrijft blijkbaar zo exact de gevolgen van een kredietcrisis en de rol van de banken en beurzen daarin, dat deze bijbel van het socialisme juist nu door gestruikelde kapitalisten met gretigheid wordt gelezen.Een veel dunner, onbekender en schijnbaar onbeduidender boek is ‘De dragers en de mensen’ geschreven in 1961 door de architect John Habraken. Het boek beschrijft de naoorlogse massawoningbouw zoals we die kennen van ondermeer de Bijlmer in Amsterdam en de banlieus in Parijs. Het zijn deze eentonige wijken die in de afgelopen twee decennia een aantal keer het toneel vormden van een volksoproer. De wijken bleken niet in staat een goede sociale structuur te bieden voor een duurzame multiculturele samenleving. De bevolking verarmde en raakte in een isolement.
Deze sociale ontwrichting had Habraken dertig jaar eerder al voorzien. Het zou volgens hem vooral veroorzaakt worden doordat de bewoners van deze flats geen keuzevrijheid hebben. Het individu krijgt in deze monotone wijken een gemeenschappelijke identiteit opgedrongen. En het is nu juist het individu dat zich in deze tijd wil manifesteren en ontplooien. Dus, zegt Habraken, hebben we wijken nodig die de vrijheid toelaten en juist uitdagen. De bewoners moeten weer hun eigen woonomgeving kunnen inrichten!
Deze ideeën lijken zo vanzelfsprekend. Maar in de jaren na de tweede wereldoorlog geloofden beleidsmakers en planners nog in de maakbaarheid van de mens. Gemiddelden en standaardwaarden werden de norm voor steden en woningen. En zo konden wijken ontstaan waar kinderen niet meer in bomen mochten klimmen. Habraken heeft met zijn boek in 1961 niet gelijk het tij kunnen keren, want ook nu nog worden wijken en woonvormen in Nederland helemaal voorgekauwd zonder dat de toekomstige bewoners daar invloed op hebben. Zo zijn er in de jaren negentig tientallen (VINEX-)wijken gebouwd met stratenlang grondgebonden eengezinswoning met achtertuin en 1,7 parkeerplaats. Het ontbreekt in deze wijken aan een goede functiemenging en aan genoeg speelruimte voor kleine ondernemers zoals een kapper, een bakker en een fietsenmaker. En het is natuurlijk heel verleidelijk om te denken dat vrolijk gekleurde voordeuren en design speeltoestellen in een plantsoentje de monotonie kunnen doorbreken.
Habraken pleitte in de ‘De dragers en de mensen’ voor een woningbouw waarbij de bewoner zelf zijn eigen huis kan bouwen in speciaal daarvoor gebouwde ‘Dragers’ en een keuzemogelijkheid aan ‘Inbouw-onderdelen’, precies zoals bij de auto-industrie: de auto is de drager, de accessoires zijn naar keuze in te bouwen. Om dat te kunnen faciliteren zouden ‘structuren’ in het landschap gebouwd worden als gestapelde bouwgrond. Deze dragers, een soort grote betonnen stellingkasten zouden de noodzakelijke nutsvoorzieningen als gas, water en licht leveren. De bewoner kon dan een eigen inbouw kiezen van gevels tot badkamertegeltjes. Helaas zijn deze theorieën in de jaren ’70 en ’80 met de SAR (stichting architecten research) verzand in systemen die wel heel innovatief waren maar die in experimenten bleven hangen.
In mijn afstudeerproject (1997) heb ik geprobeerd de ideeën van Habraken nieuw leven in te blazen door het minder technologisch te benaderen. Voor mij lag de essentie in een zo robuust mogelijke Drager waarbinnen de bewoner een eigen huis kon realiseren op een traditionele alom bekende manier. Gewoon met een timmerman en een metselaar en voor de liefhebber met een Gammapas. Wonen is immers traditie. Hoe modern een huis ook is vormgegeven, wonen blijft altijd gebaseerd op alledaagse behoeften. Iedereen wil nog steeds een prettig hoekje om de krant te lezen, een ruime woonkamer om gasten te ontvangen en een rommelhok waarvan je de deur achter je dicht kan trekken: opgeruimd staat netjes!
Inmiddels heeft de Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot een soortgelijk idee doorontwikkeld onder de naam Solids. Op dit moment worden op twee plekken in Amsterdam deze robuuste gebouwen gerealiseerd. Het mooie aan het concept is dat Stadgenoot een gebouw neer wil zetten dat anderhalf keer zo duur is omdat de corporatie 100 jaar vooruit durft te kijken. Door de flexibele opzet kan elke functie worden gerealiseerd in de Solid en is de verhuurbaarheid daardoor verzekerd. Als het restaurant over tien jaar vertrekt is er wel een creche, een Toyota dealer of een bejaardensoos die dezelfde ruimte wil huren.
De magie van dit verhaal is simpel: maak een diverse samenstelling van een wijk mogelijk zodat iedereen kan wonen, ondernemen en doorontwikkelen.
En de Drager kunnen wij als adviseurs van BuildDesk natuurlijk zo duurzaam mogelijk verder ontwikkelen. De drager heeft een lange levensduur en is door de grote massa ideaal voor lage temperatuur verwarming en hoge temperatuur koeling. Het is dus voor ons de uitdaging om met duurzame energiesystemen deze flexibiliteit in gebruik mogelijk te maken. En een Drager hoeft wat mij betreft helemaal geen hoogbouw te zijn. Een laagbouw met achtertuin kan ook zo worden gebouwd dat het functieverandering toelaat. En dan wordt die vrolijk gekleurde voordeur er uiteindelijk ook wel ingezet. Maar dan is het omdat de fietsenmaker in het straatje wil opvallen en niet omdat een projectontwikkelaar en architect dat heeft bedacht.
